De kettingbotsingsclausule: einde van een tijdperk - het nieuwe art. 29ter WAM-wet

Jul 12, 2017

Bijna 15 jaar lang heeft de beruchte kettingbotsingsclausule, art. 19bis-11, §2 WAM-wet, ons rechtsstelsel beheerst, en een belangrijke rol gespeeld in ons verkeersrecht. Het was een bepaling die in 2002 werd ingevoerd omwille van een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongelijkheid. Doch de libellering ervan deed meer vragen rijzen dan antwoorden bieden, en de hoogste rechtscolleges van ons land dienden meer dan eens in te grijpen om duidelijkheid te brengen. Volledigheidshalve nogmaals de exacte bewoordingen van de kwestieuze bepaling:

“In afwijking van 7°) van de voorgaande paragraaf, indien verscheidene voertuigen bij het ongeval zijn betrokken en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt de schadevergoeding van de benadeelde persoon in gelijke delen verdeeld onder de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurders van deze voertuigen dekken, met uitzondering van degenen wier aansprakelijkheid ongetwijfeld niet in het geding komt.”

De rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie, alsook de veelheid aan rechtsleer die aan het artikel werd gewijd, rekten de draagwijdte van de bepaling keer op keer uit. De oorspronkelijke doelstelling van de wetgever – ervoor zorgen dat onschuldige slachtoffers van een verkeersongeval waarbij de aansprakelijkheid niet kan worden bewezen, zoals bv. in het geval van een kettingbotsing, niet in de kou blijven staan – werd ruimschoots voorbij geschoten. Ter herinnering de meest significante twistpunten en de daaraan door onze hoogste rechtscolleges en rechtsleer gegeven oplossing:

  • Volstaan 2 betrokken voertuigen, of zijn er minstens 3 benodigd?
    Grondwettelijk Hof 3 februari 2011: 2 voertuigen volstaan.

  • Komt enkel de benadeelde, die bewijst geen enkele aansprakelijkheid te dragen, voor vergoeding in aanmerking?
    Grondwettelijk Hof 3 februari 2011: art. 19bis-11, §2 WAM-wet staat los van foutaansprakelijkheid en bevat een automatische vergoedingsregeling.
    Hof van Cassatie 30 januari 2014: verdere verduidelijking: ook de benadeelde die mogelijks zelf aansprakelijk is, doch wiens aansprakelijkheid niet kan worden bewezen, komt voor vergoeding in aanmerking (weliswaar enigszins getemperd door het arrest van 12 september 2016, waarbij het Hof in het motiverend gedeelte terug wees op de oorspronkelijke doelstelling van de wetgever).

  • Komt enkel lichamelijke schade in aanmerking voor vergoeding, of ook louter materiële schade?
    Hof van Cassatie 6 november 2014: de vergoedingsplicht is niet beperkt tot lichamelijke letselschade.
    Grondwettelijk Hof 4 december 2014: louter materiële schade komt tevens voor vergoeding in aanmerking.

  • Dient de benadeelde elke vergoedingsplichtige verzekeraar voor diens aandeel aan te spreken, of is er hoofdelijkheid?
    Raadsheer GEERT JOCQUÉ (2014): er is hoofdelijkheid; de benadeelde kan zich voor het geheel van de schade richten tot elk der vergoedingsplichtige verzekeraars (effectief zo toegepast door bepaalde lagere rechtspraak).

Verder bleef er nog de prangende vraag of de benadeelde, wiens eigen aansprakelijkheid dus evenmin kan worden bewezen, ook zijn eigen WAM-verzekeraar kan aanspreken. Raadsheer  GEERT JOCQUÉ, later gevolgd door anderen, schreef in 2014 reeds dat zulks principieel niet uitgesloten wordt door art. 19bis-11, §2 WAM-wet, hoewel dit prima facie wel strijdig zou kunnen zijn met art. 3 WAM-wet, en met het principe dat een BA-verzekeringsdekking geen dekking omnium omvat. Ook wat dit laatste punt betreft hakte het Grondwettelijk Hof zeer recent nog de knoop door. Met het arrest van 22 juni 2017 werd opnieuw gewezen op de kwalificatie van de wetsbepaling als automatische vergoedingsregeling, en werd geoordeeld dat de benadeelde inderdaad zijn eigen WAM-verzekeraar kan aanspreken op grond van art. 19bis-11, §2 WAM-wet. En zo werd de WAM-verzekering in vele gevallen de facto een eigen schadeverzekering. De wereld op zijn kop…

De lagere rechtspraak stond aanvankelijk zeer weigerachtig tegen een al te ruime toepassing van de kettingbotsingsclausule, doch zwichtte hoe langer hoe meer voor de rechtspraak van de hoogte rechtscolleges. Het stond in de sterren geschreven dat de wetgever vroeg of laat zou ingrijpen.

Met de wet van 31 mei 2017 maakte de wetgever een einde aan art. 19bis-11, §2 WAM-wet, en werd het nieuwe art. 29ter ingevoerd. De wetgever wil vooral terug aansluiten bij de oorspronkelijke doelstelling, zoals hierboven weergegeven, en wenst een “oneigenlijk gebruik” van de kettingbotsingsclausule aan banden te leggen.

De wet van 31 mei 2017 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2017, en trad zodoende in werking op 22 juni 2017. De ongevallen daterend van vóór deze datum kunnen derhalve nog “genieten” van het regime van art. 19bis-11, §2 WAM-wet.

Het nieuwe art. 29ter WAM-wet luidt als volgt:

Ҥ 1
Wanneer twee of meer voertuigen, betrokken zijn bij een verkeersongeval in België, en indien het niet mogelijk is vast te stellen welk voertuig het ongeval heeft veroorzaakt, wordt alle schade geleden door de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust, ten laste genomen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel.
Voor de toepassing van dit artikel dient onder voertuig te worden verstaan, alle motorrijtuigen, zoals gedefinieerd in artikel 1, alsmede de gemotoriseerde voertuigen die aan spoorstaven gebonden zijn.
Schade waarvoor een vergoeding kan uitgekeerd worden in uitvoering van artikel 29bis is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
De schade geleden door de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt, komt in aanmerking voor vergoeding in toepassing van dit artikel. De schade aan de andere betrokken voertuigen is uitgesloten van de toepassing van dit artikel.
Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, is dit artikel van toepassing wanneer het ongeval zich voordoet op plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1.
§ 2
Voor motorrijtuigen, bedoeld in artikel 1, rust de vergoedingsplicht op de verzekeraars die de burgerrechtelijke aansprakelijkheid ervan dekken. Het Fonds vergoedt de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden in de gevallen bedoeld in artikel 19bis-11, § 1, 1°), 2°), 4°), 7°) en 8°).
Voor motorrijtuigen die in uitvoering van artikel 10 vrijgesteld zijn van de verzekeringsplicht, rust de vergoedingsverplichting op degene aan wie ze toebehoren of op wiens naam ze ingeschreven zijn.
Voor motorrijtuigen die aan spoorstaven gebonden zijn, rust de verplichting tot vergoeding op de eigenaar van deze motorrijtuigen.
Diegenen die waarborg geven aan de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt, zijn niet tot vergoeding gehouden.
§ 3
De personen vermeld in paragraaf 2 en op wie de verplichting tot vergoeding rust, zijn hoofdelijk gehouden ten aanzien van de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden. Het aandeel in de schadelast wordt onder deze vergoedingsplichtigen in gelijke delen verdeeld.”

De wetgever volgt dus de rechtspraak die de betrokkenheid van 2 voertuigen voldoende achtte voor de toepassing van de vergoedingsregeling, alsook de rechtsleer (en de lagere rechtspraak) die de hoofdelijke gehoudenheid van de vergoedingsplichtige verzekeraars voorstond. Ook louter materiële voertuigschade blijft voor vergoeding in aanmerking komen.

Daarentegen wordt duidelijk afgeweken van het door de hoogste rechtscolleges ontwikkelde principe, in het kader van het opgeheven art. 19bis-11, §2 WAM-wet, dat ook de benadeelde die mogelijks zelf aansprakelijk is doch wiens aansprakelijkheid niet kan worden bewezen, voor vergoeding in aanmerking komt. Voortaan kunnen enkel de werkelijk onschuldige benadeelden aanspraken doen gelden. Dat is althans de bedoeling.

Meteen is duidelijk dat de wetgever thans meer woorden nodig heeft gehad dan bij de redactie van art. 19bis-11, §2 WAM-wet. De spreuk “in die Beschränkung zeigt sich erst der Meister” indachtig, valt het nog af te wachten of met deze nieuwe libellering alle twistpunten van de baan zullen zijn. Nieuwe wetgeving geeft steevast aanleiding tot interpretatie, en in dit geval zal dat wellicht niet anders zijn. Wat te denken bv. van de libellering van en het onderscheid tussen “de onschuldige slachtoffers en hun rechthebbenden, zijnde de personen op wie met zekerheid geen aansprakelijkheid rust” en “de voertuigen die klaarblijkelijk het ongeval niet hebben veroorzaakt” in art. 29ter, §1 WAM-wet? Dit ook gelet op de formulering “de voertuigen die het ongeval met zekerheid niet hebben veroorzaakt” in art. 29ter, §2 WAM-wet. En wat met de correlatie met, en de verwijzing naar art. 29bis WAM-wet?

Onze vakgroep staat alleszins klaar om deze nieuwe regelgeving in de praktijk toe te passen. To be continued…


Berichten


12.07.2017
De kettingbotsingsclausule: einde van een tijdperk - het nieuwe art. 29ter WAM-wet
Bijna 15 jaar lang heeft de beruchte kettingbotsingsclausule, art. 19bis-11, §2 WAM-wet, ons rechtsstelsel beheerst, en een belangrijke rol gespeeld in ons verkeersrecht. Het was een bepaling die in 2002 werd ingevoerd omwille van een door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongelijkheid. Doch de libellering ervan deed meer vragen rijzen dan antwoorden bieden, en de hoogste rechtscolleges van ons land dienden meer dan eens in te grijpen om duidelijkheid te brengen. Meer…





29.05.2017
Eerste toepassing 'bid rigging' bij overheidsopdrachten
Tot nog toe had de BMA nog nooit een sanctie opgelegd voor collusie in het kader van overheidsopdrachten, hoewel zij in het verleden meermaals verklaarde dat het bestrijden van oneerlijke mededinging bij overheidsopdrachten één van haar prioriteiten uitmaakte. Recent voegde de BMA meteen de daad bij het woord. Op 2 mei 2017 werd voor het eerst een substantiële boete opgelegd voor kartelvorming tussen vijf grote spelers in het kader van een openbare aanbesteding. Meer…


12.04.2017
Seminarie Privacy en Databescherming 16 mei 2017
GSJ advocaten nodigt u graag uit voor het seminarie Privacy en Databescherming, dat op 16 mei 2017 zal plaatsvinden in onze kantoren. Op 26 mei 2016 is de nieuwe Privacy Verordening (die afgekort ook aangeduid wordt als de “GDPR”) in werking getreden. Deze Verordening voorziet in een overgangsperiode van 2 jaar, maar zal met ingang van 25 mei 2018 in de plaats komen van onze huidige Belgische privacywetgeving. Meer…







26.01.2017
Pop-up decreet 17 juni 2016
Op 26 juli 2016 werd het decreet van 17 juni 2016 houdende huur van korte duur voor handel en ambacht in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Meer…





08.11.2016
Over de aansprakelijkheid van de vrijwilliger. Het begrip "vrijwilliger": ruimer dan vermoed!
Het was haast tien jaar wachten op een eerste gepubliceerd arrest aangaande de Vrijwilligerswet van 3 juli 2005. De primeur gaat naar het hof van beroep van Gent met het arrest van 6 februari 2014 (Gent 6 februari 2014, RW 2016, 230, noot T. VANSWEEVELT en B. WEYTS). Het hof liet de gelegenheid niet onbenut om hier en daar de puntjes op de i te plaatsen, overigens met – spijtig genoeg voor de betrokkene – verstrekkende gevolgen voor de eisende partij. Meer…
26.10.2016
Seminarie 'De professionele vennootschap voor advocaten'
Op woensdag 25 januari 2017 zit Mr. Bart Goossens te Antwerpen het seminarie voor met als onderwerp 'De professionele vennootschap voor advocaten'. Het seminarie vindt plaats in het ALM te Berchem en is specifiek gericht op advocaten. Meer informatie, evenals de inschrijvingsmodaliteiten, zijn terug te vinden in de bijlage. Meer…







07.08.2016
Overheidsopdrachtenwet 2016 en Concessiewet 2016
Op 14 juli 2016 werden in het Belgisch Staatsblad de nieuwe wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (Overheidsopdrachtenwet 2016) én de nieuwe wet van 17 juni 2016 betreffende de concessieovereenkomsten (Concessiewet 2016) gepubliceerd. Meer…



04.05.2016
Studiedag Stakingsbevel – 18 mei 2016, Berchem – ALM
Op 18 mei 2016 zal mr. Jo Van Lommel een update geven omtrent het stedenbouwkundig stakingsbevel. Aan de hand van recente rechtspraak zal worden stilgestaan bij dit instrument en bij de voor- en nadelen ervan. Ook de bewuste (volgens sommigen omstreden) Ministeriële omzendbrieven RO/2014/03 en RO/2015/01 komen aan bod.
Meer…


03.05.2016
Pief poef paf grondwettelijk hof schiet vlaamse regering terug naar af

Op 23 april 2014 heeft de Vlaamse Regering de instandhoudingsdoelstellingen (IHD) voor de Europese habitatrichtlijngebieden en de ermee overlappende vogelrichtlijngebieden vastgelegd. Die doelstellingen worden het nieuwe toetsingskader voor de passende beoordeling bij een vergunningsaanvraag. Met andere woorden: de definitief vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn het ijkpunt in het kader van de passende beoordeling bij hervergunningen of uitbreidingen.

Meer…





07.04.2016
Verzekerd tegen terreur
Onnoemelijk veel miserie en menselijk leed was vorige week ons deel. Eens het stof gaat liggen, zal de vraag rijzen in hoeverre deze schade verzekerd is. Zoals u weet, werd terrorisme vroeger standaard uitgesloten in zowat elke verzekeringspolis. De aanslagen in New York, Londen en Madrid hebben ons wakker geschud. Overheid en verzekeraars sloegen de handen in elkaar, wat resulteerde in een verzekeringsoplossing, die zijn neerslag vond in de Wet van 1 april 2007 betreffende de verzekering van schade veroorzaakt door terrorisme.
Meer…
26.02.2016
De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de architect en de rechtsbijstandsverzekeraar
Zeggen dat men als architect serieuze aansprakelijkheidsrisico’s loopt, is een open deur intrappen. Zelfs strafrechtelijk kan de architect aangesproken worden. Een bouwwerk optrekken in strijd met de vergunningsvoorschriften – hoe gering de afwijking ook moge wezen – is nu eenmaal een misdrijf. Dergelijke inbreuk kan uitmonden in een procedure voor de correctionele rechtbank. Meer…