09-08-2010

De tekst van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in stand gehouden

Eén van de voornaamste betrachtingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (verder VCRO) was om duidelijkheid te scheppen in de handhavingspraktijk, en voornamelijk omtrent het misdrijf van instandhouding. 
 
Er bestaat een massa rechtspraak en rechtsleer omtrent de omschrijving van het misdrijf (zie bijvoorbeeld het arrest van het toenmalig Arbitragehof van 19 januari 2005, nr. 14/2005), doch echt rechtszekerheid en duidelijkheid was er nog nooit. 
 
De decreetgever heeft in art. 6.1.1 VCRO, dat voorziet in de strafbaarstelling, een einde willen stellen aan het instandhoudingsmisdrijf. De tekst van de VCRO is duidelijk. De strafsanctie voor het instandhouden buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied geldt niet meer. Art. 6.1.2 VCRO verduidelijkt nogmaals dat art. 6.1.1, derde lid de strafbaarstelling van de vermelde instandhoudingsmisdrijven opheft. 
 
Meer duidelijkheid volgde in het vierde lid van art. 6.1.1 VCRO waarin sedert 1 september 2009 uitdrukkelijk wordt bepaald dat de herstelvordering die door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen vanaf 1 september 2009 niet langer wordt ingewilligd indien de instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld.
 
Deze artikelen hebben een verregaande impact op het actuele en toekomstige handhavingsbeleid van de overheid. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur meende dat de artikelen ongrondwettig waren en formuleerde aanvankelijk drie, later vier, prejudiciële vragen. Zo werden schendingen voorgehouden van art. 10 en 11, 16 en 23 van de Grondwet, het standstill-beginsel, etc. Deze vragen werden voor het eerst voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof ingevolge het arrest van 27 november 2009 van het Hof van Beroep te Gent. Later volgden nog verscheidene andere rechtbanken en hoven die dit voorbeeld volgden en dezelfde vragen voorlegden aan het Grondwettelijk Hof.
 
Met arrest van 29 juli 2010 stelde het Grondwettelijk Hof nu dat er geen schending is van de aangehaalde bepalingen. De artikelen 6.1.1, derde en vierde lid VCRO blijven m.a.w. overeind. 
Dit is uiteraard een uiterst belangrijk arrest. In de praktijk zal dit tot gevolg hebben dat in verschillende lopende dossiers het verval van de herstelvorderingen kan worden vastgesteld, meer bepaald de herstelvorderingen zoals ingeleid door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur of het college van burgemeester en schepenen die enkel gebaseerd zijn op de instandhouding, die op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld. 
 
Voor meer informatie kan u zich steeds wenden tot onze vakgroep Administratief recht, milieu, ruimtelijke ordening en stedenbouw en in het bijzonder naar Jo Van Lommel.